Momenteel werk ik nog aan dit boek maar hier alvast een klein stukje om een indruk te geven van mijn schrijfwerk. Ik verwacht eind dit jaar klaar te zijn om mijn boek te gaan uitgeven. De rode draad van het verhaal is spiritualiteit / natuur & de verbondenheid van de mens hierin, vanuit mijn eigen ervaring.
De Ontmoeting, (Hoop, Geloof & Liefde, blz. 1)
In de verte hoor ik al het geruis van de zee. De krachtige wind neemt het geluid die de golfslag produceert tot ver over de eerste duintoppen mee. Wanneer de zon even achter de wolken vandaan komt straalt ze al bijna vol van warmtekracht. Na de regenachtige dagen van aan het begin van de week is de natuur even bijgekomen zo te zien. Met de kracht van de zon erbij is er in een paar dagen tijd een hoop fris groen blad in de bomen en struiken. Ook is er steeds meer kleur te bewonderen van de bloesem en de andere lente bloeier die bij de tijd van het jaar horen. Het voorjaar dringt al zijn pracht een weg naar buiten wat een mens in zijn innerlijk beleeft en ook een uiting zoekt. Ik vind het fijn om in de natuur te zijn. De verbondenheid die ik voel is vol van liefde en geeft vrede, het gevoel van het is goed zoals het is. Dat is niet vreemd, wij als mens zijn immers ook een natuurwezen.
Ik ben op weg naar het strand, even lekker uitwaaien en naar de horizon turen. Het geeft mij ontspanning en de innerlijke dingen die er spelen vallen dan vaak op hun plek. Lopend op de doorgang over het laatste stuk duin zie ik de schuimkoppen van de hoge golven op de kust kapot slaan. Wat is de zee toch een machtig element van de natuur. Het doet mij denken aan vroeger dat mijn vader mij wel eens in het voorjaar meenam als hij ging strandjutten. Als het flink gestormd had gingen we voordat de zon opkwam met de auto naar Bloemendaal aan zee. Ik was zeven jaar oud en vond het geweldig om samen met mijn vader op avontuur te gaan, het waren namelijk zeldzame momenten die ik nog steeds koester. We parkeerde de auto bij de strandtent van Jan Molenaar. De zoon van Jan heette Evert net als mijn vader en ik. Daar moesten we altijd om lachen als iemand Evert riep. Dan riep mijn vader terug: “Welke van de drie?” Inmiddels was de zon opgekomen en mijn vader en ik liepen over het strand richting IJmuiden. Hij respecteerde de zee en bedankte haar als we een groot aangespoeld stuk hout hadden gevonden. Hij hield het rechtop en liet mij zien dat de zee haar eigen verhaal maakt door dat stuk hout te bewerken. Door de uitgesleten stukken, de sporen van zand, zeestromen en een verweert stuk touw aan een roestig oog. Een mooi voorbeeld tussen de samenwerking van de zee en de wind. Mijn vader vertaalde dat dan door er later een kunstobject van te maken. Hij was een beeldend kunstenaar. Het stuk hout legde mijn vader neer tegen de duinrand aan. We zouden het op de terugweg meenemen naar de auto. Zo nu en dan vonden we wat en ondertussen genoot ik van het samenzijn met mijn vader. Als we bijna bij IJmuiden waren hoorde we het geronk van een vrachtauto. Het was de oude legertruck van Jan Molenaar die hij gebruikte tijdens het vissen op garnalen. Hij sleepte langzaam, half rijdend door de zee, zijn visnet voort. We zwaaide naar elkaar en ik raakte al wat opgewonden voor wat gebeuren ging. Enkele honderden meters verderop stopte Jan en haalde zijn garnalenvangst binnen. Intussen hadden mijn vader en ik de legertruck bereikt en ik mocht achter in de open bak zitten wat ik reuze spannend vond. Mijn vader nam ook plaats in de truck en ging dan naast Jan zitten. We reden terug over het strand naar Bloemendaal en onderweg stopte we even om de stukken hout op te halen die we daarvoor hadden weggelegd. Bij de strandtent van Jan aangekomen laadde we de stukken hout over in de bestelauto van mijn vader. We dronken nog even een kopje thee met zijn allen en bedankte Jan en zijn zoon Evert voor de hulp en de gezelligheid.Mijn vader en ik reden met de auto naar de Kennemer duinen en parkeerde de auto bij de ingang. We maakten een wandeling door de natuur daar. Mijn vader vertelde hoe belangrijk de natuur is en dat we haar te allen tijden met respect moeten behandelen. De natuur is een schoonheid vol van liefde die bestaat uit geven en nemen, zei hij dan. Ik begreep niet helemaal wat hij bedoelde maar ik wist wel dat het waar moest zijn aan zijn stralende blik in de ogen. Gooi nooit iets weg in de natuur, zei hij, doelende op een snoeppapiertje of wat dan ook. Gooi het altijd weg in een prullenbak en als die er niet is bewaar het in je jaszak en gooi het thuis weg. Hij had dan een wat strenge blik in de ogen dus het moest wel heel belangrijk zijn. Ik ben tot op de dag van vandaag blij met deze lessen van mijn vader want hij had volkomen gelijk.
Auteur: Evert van Schuppen
Ave69 Productions auteur Evert van Schuppen presents: “De Vreemde Vogel”
| De Vreemde Vogel (proloog avonturen voor jeugd) |
Moeder deed het nog een keer voor. Terwijl hij aandachtig keek hupte hij naar de rand, hield zijn vleugels in de aanslag en sprong. Hoog in de bergen, ergens in de Himalaya, verliet een jonge Adelaar zijn nest. Nog wat onwennig bleef de jonge Adelaar rond de bergtop zweven, kijkend naar de plek waar hij zojuist afscheid van had genomen. Zijn ouders riepen hem nog een laatste keer toe waarop hij antwoordde met een luid gekrijs en het luchtruim koos. Wat is het hier prachtig, dacht hij, kijkend vanuit de hoogte op de besneeuwde bergtoppen met hun woeste rotswanden en gletsjers die wat lagerop langzaam aan het smelten waren. Hoe zou het er beneden uitzien, dacht hij, waarop zijn nieuwsgierigheid groter werd. Langzaam begon hij te dalen. In de verte zag hij al de eerste bomen en hoe een van de gletsjers overging in een waterval. Wat een mooi gezicht, dacht hij. Gefascineerd bleef hij kijken waar de waterval met al dat water heen zou gaan. Op een iets verder ondergelegen rots kletterde het water oorverdovend neer, waarna het zich snel een weg zocht verder de berg af te stromen. Tussen de rotsen door, op sommige plaatsen met kleine watervallen, veranderde het tot een woeste rivier.
Het werd al mooier in de omgeving. Steeds meer bomen, met hun uitlopende toppen, die een prachtige lichtgroene kleur hadden. Allerlei soorten bloemen die vrolijk in bloei stonden en met hun kleur een geheel vormde als een regenboog. De jonge Adelaar sloeg een kreet van vreugde uit, die door de verderop gelegen rotswanden in de echo nog een paar keer werd herhaald en zachtjes wegebde. Wat is het leven mooi en wat ben ik blij dat ik dit kan meemaken, dacht hij. Opeens werd hij afgeleid door een geur die hij vanuit zijn instinct herkende als gevaar. Het was een brandlucht, die hem deed rondkijken waar het vandaan kwam. Iets verderop, tussen de boomtoppen door, kwamen kleine rookpluimpjes tevoorschijn. Toen de jonge Adelaar overvloog zag hij een kleine jongen, die bezig was grote takken klein te hakken om op het vuurtje te gooien. Gelukkig, dacht hij, niets ernstigs aan de hand, aan de voorzichtigheid te zien hoe de jongen bezig was. De jonge Adelaar cirkelde nog eens rond en kijkend naar beneden zag hij hoe de kleine jongen naar hem opkeek. “Hallo, Adelaar” riep de kleine jongen en zwaaide naar boven. De jonge Adelaar, enigszins verbaast, reageerde met een vriendelijke kreet en besloot de kleine jongen eens van dichterbij te gaan bekijken. Tot net boven de kleine jongen streek hij neer in een boomtop. “Kom eens verder naar beneden” riep de kleine jongen. “Ik kan je niet goed zien zo, kom eens verder naar beneden!” Dit moet een mens zijn, dacht de jonge Adelaar, maar het voelt zo vertrouwd. Daarop besloot de jonge Adelaar om nog dichterbij de kleine jongen te gaan. Hij verliet de boomtop en streek neer op een grote rots die vlakbij de kleine jongen lag. Met grote vriendelijke blauwe ogen keek de kleine jongen hem aan en zei: “Wat zou ik graag eens met je willen ruilen om een Adelaar te zijn. Het verlangen is zo groot dat het lijkt alsof ik al eens een Adelaar geweest ben.” Wat een vreemde vogel, dacht de jonge Adelaar, hoe kan een mens een Adelaar geweest zijn. Tegelijk keken ze elkaar ietwat verschrikt aan. “Hé” zei de kleine jongen, “Ik ben helemaal geen vreemde vogel, ik ben Liam.” De jonge Adelaar, nog wat geschrokken van het gebeuren, dacht bij zichzelf; hoe kan dit nou, hoe kan de kleine jongen weten wat ik denk en hoe kan het dat ik hem kan verstaan? “Ja, dat weet ik ook niet hoor” zei Liam, “en trouwens, ik heet Liam en geen kleine jongen.” Neem mij niet kwalijk, sorry, dacht de jonge Adelaar. “Geeft niet” zei Liam, en keek met zijn grote blauwe ogen de jonge Adelaar nog eens aan. “En hoe heet jij?” vroeg Liam opgetogen. Ik heb geen naam, dacht de jonge Adelaar. “O, hm” zei Liam, “dan geef ik je wel een naam, wat vindt je van Wings?” Dat klinkt goed en heel toepasselijk, dacht Wings. “Dan zijn we vanaf nu vrienden” zei Liam, “voor altijd.” Dat is goed, dacht Wings, blij met zijn nieuwe naam en zijn nieuwe vriend. “O Wings, wat zou ik graag eens willen rond zweven en van grote hoogte over de bergen kijken wat er gebeurd” zei Liam. Maar hoe dan? Je hebt helemaal geen vleugels, dacht Wings. Beteuterd keek Liam hem met zijn grootte blauwe ogen aan, beseffende dat Wings gelijk had. Maar ik vertel je wel hoe het er van boven uit ziet, dacht Wings. “Ja, graag” zei Liam. Daarop vertelde Wings aan Liam wat hij allemaal had gezien tijdens het vliegen.
Door alle opwinding en het verhaal viel Liam in slaap. “Liam, waar zit je, Liam!” klonk er plotseling. Wings schrok van de luide stem. Hij vloog op en bleef vanuit de lucht toekijken wat er aan de hand was. Een grote man met een baard kwam aanlopen op de plek waar Liam lag te slapen. “Kijk nou toch eens” zei de man met de baard. “Mijn zoon, zo moe van al dat hout hakken dat hij erbij in slaap is gevallen.” De man met de baard doofde het vuurtje en nam Liam in zijn armen. “Zo, slaapkop van mij, ik zal jou maar thuis in bed leggen” zei hij. Liam, nog steeds in diepe slaap, liet zich vertrouwd door de man met de baard meenemen. Wings zag dat er verderop gelegen een houten huisje stond waar de man met de baard met Liam naar binnen ging. Een beetje teleurgesteld omdat Wings zijn nieuwe vriendje niet meer kon zien ging hij op zoek naar iets te eten. Plotseling hoorde Wings: "Wow, johoo, joepie!” Hoe kan dat nou dacht Wings, ik zie Liam nergens. “Johoo, te gek! Mijn wens is uitgekomen, geweldig” klonk het weer. Een beetje verward dacht Wings, ben jij dat Liam? “Nee, mijn opoe, nou goed, natuurlijk ben ik het” zei Liam opgetogen. Zeg, niet zo brutaal jij he, dacht Wings. En hoe kan dat nu, ik zie je helemaal nergens? “Sorry, ik weet ook niet hoe het kan maar ik ben nu eenmaal hier en mijn lichaam ligt thuis te slapen” zei Liam. Maar waar zit je dan, dacht Wings een beetje bezorgd. We vliegen hoog door de lucht, straks val je nog naar beneden. “Ik zit op je rug, het is net alsof ik stevig in het zadel van een paard zit, dus geen zorgen” zei Liam. Je bent een bijzondere jongen Liam, dacht Wings. Voor jou lijkt alles zo gewoon en ik snap er af en toe helemaal niets van. “Hoezo, wat bedoel je dan?” zei Liam. Ach, niets hoor, geniet maar fijn van de vlucht die we maken, dacht Wings.
Wings vloog met Liam over het mooie berglandschap en liet hem de plek zien waar de smeltende gletsjer overging tot een waterval. Liam vond het een prachtig gezicht. Het uitzicht en het vliegen deden hem continu kreten van opwinding en genot uitschreeuwen. Af en toe gevolgd door een luide kreet van Wings, die het geheel ook erg leuk vond. Iets geschrokken zei Liam plotseling: “We moeten terug naar mijn huis!” Hoezo dan, dacht Wings, we hebben het net zo leuk. “Ja, maar ik wordt zo meteen wakker en dan moet ik weer in mijn lichaam terug zijn” zei Liam. “Volle vaart naar huis Wings!” Daarop zette Wings koers naar het huis, wetende dat het van groot belang moest zijn om op tijd te komen. Wat zou er eigenlijk kunnen gebeuren als we te laat zijn, dacht Wings. “Ja, dan loopt mijn lichaam overal tegenaan omdat het niets kan zien en kan het niet horen en praten natuurlijk” zei Liam. O ja, natuurlijk, dacht Wings een beetje vertwijfelt en begon met de landing omdat het huis in zicht was. Wings streek neer bovenop het dak van het huis, net naast de schoorsteen. “We blijven voor altijd vrienden hé, tot gauw en bedankt voor de mooie vlucht” zei Liam nog voordat hij op een even zo mysterieuze manier weer terug naar zijn lichaam ging als hij gekomen was. Jazeker, we blijven voor altijd vrienden, tot gauw, dacht Wings. Met een luide krijs vloog Wings weg en besloot om nog een rondje, hoog boven het huis, te blijven zweven. Op dat moment ging de deur van het huis open. De man met de baard kwam naar buiten, keek omhoog en riep naar binnen: “Liam, kom eens gauw kijken! Er vliegt een jonge Adelaar boven ons huis.” Liam, zichtbaar net wakker geworden, kwam naast zijn vader staan en keek omhoog. Zijn vader zei tegen Liam: “Het is de eerste jonge Adelaar dit jaar, wat een mooi gezicht he. Als ik dit zo zie heb ik altijd de wens om ook eens zo rond te zweven, maar dat kan natuurlijk niet.” “Nee pa, dat kan natuurlijk niet” zei Liam, waarop hij zachtjes moest giechelen en bij zichzelf dacht, je moest eens weten.
Auteur: Evert van Schuppen
Abonneren op:
Posts (Atom)